Zoekiets

maandag 15 augustus 2016

Wordt Vervolgd

Nieuwe berichten plaats ik voortaan op WordPress.
Kijk maar hier: https://palescue.com/


vrijdag 20 februari 2015

[“Christmas Card from a Hooker in Minneapolis”]


 

&

soms

soms is

soms is dat

soms is dat wat

soms is dat wat het

soms is dat wat het is

wat was

wat was dat

wat was dat het

wat was dat het soms

wat was dat het soms was

&

dat soms

wat soms is

g

e

w

e

e

s

t

.

 

 



 

If there ever was a time for whatever to whatever

it is now. And looking more closely, whatever is everywhere.

So let’s get right at it and do whatever is needed

to whatever so whatever will whatever never no more

 

C.A.P.FEB.2015

 

woensdag 28 januari 2015

[Verfje]


Ik verf je
ik verf je fel
en verf je in pastel
ik verf je in olie
en in aquarel
ik mondschilder en
vingerverf je
 
Ik verf je met huid
en marterharen penselen
kwast ik je, wrijf en
spetter ik je
smeer je met paletmes
laag over laagje

op vereffenend linnen
verf ik je
ik verf je
een schilderjij
tot over mijn oren.
 
Palescue 26/27 JAN MMXV
https://fbcdn-sphotos-c-a.akamaihd.net/hphotos-ak-xaf1/v/t1.0-9/10929015_771681339548461_2553493622343487725_n.jpg?oh=aa510b4ae8d13b8a5cce6e07b68aba65&oe=5554E2A4&__gda__=1431820821_93d716d622a7a4c18bdd9e54d6c83b66
Facebook: berlin-artparasites - artwork by Manuel Granados:
"I think of how, in Czech, 'to paint' and 'to love' are only one vowel away: malovat; milovat. The salutation alone is written. I paint you, I paint you, I paint you.”—Emily Wilson, from “Postcard I almost send to an almost lover”

zondag 18 januari 2015

De Franse pianist

Ik las laatst van een Franse dokter. Hij heette Albert Tousprêt, woonde in Lyon en leefde in de achttiende eeuw, laten we zeggen van 1744 tot 1812. Van zijn geboorte wist hij zich weinig te herinneren maar bij zijn dood kon hij bogen op een voltooid levenswerk. Dat had zijn patiënten echter wel de nodige offers gekost. 
De dokter had de obsessie een muziekinstrument te willen maken dat de mogelijkheden van een gitaar (une gitarre) en een piano (un piano) in zich verenigde. Het was hem vooral te doen om de snijdende, oplopende toon van de noten, 'the edge' die een gitaarspeler kan produceren door de snaren over de hals op te drukken tot de melodie uit levende stemmen lijkt te bestaan. Dit bleek erg moeilijk te benaderen.

Tousprêt bouwde een pianokast en begon te experimenteren met kippenpootjes. Bij de poelier om de hoek (linksaf, twee keer rechts) had hij acht octaven kippentenen met peesjes gehaald. Deze bevestigde hij voor (achter) de snaren, zo, dat de tenen langs de snaren konden tokkelen. Het knersende gekrabbel van een spinet (klavecimbel) klonk beduidend beter.

Als het inmiddels al tienjarige dokterszoontje met enige oefening in het gitaarspel zijn vingers tegen het hout drukte, klonk het goed (bien). Alleen, bij elke aanslag op het klavier kon hij maar enkele snaren tegelijk opdrukken. Wilde men de brede toonkeuze van een piano behouden, dan was een tweede aanslag (quatre mains) noodzakelijk.

De dokter bezat voldoende chirurgische vaardigheden om aan de kippenpezen stukjes hout, metaal, gips, textiel, aardewerk of ander materiaal te zetten. Van alles had hij al geprobeerd, tot het gebruik van menselijke vingers in de constructie hem als enige mogelijkheid overbleef.

Zijn zoon Ferdinand, later een actief en niet onverdienstelijk jurist, was nog elf toen hij een vel rondslingerende aantekeningen vond. Het jong bood direct al zijn vingers aan (tien) maar daar wilde Tousprêt natuurlijk niets van weten. Al kon hij het over zijn hart verkrijgen z'n eersteling de vingers af te hakken, dan zou hij nog alleen de twee wijs- en middelvingers kunnen gebruiken. Deze waren handzamer in het gebruik en volgens de uitvinder het meest geschikt.

Bovendien, zo werd hem duidelijk, moesten alle vijfentachtig vingers (vijftig witte, vijfendertig zwarte) om de zoveel tijd ververst worden. Het zou een lange-termijn project worden.

De helende notabele spendeerde al zijn vrije tijd aan de vervolmaking en instandhouding van zijn uitvinding. Daar hij inzag dat, buiten zijn zoontje, weinig mensen geïnspireerd zouden meewerken aan de revolutionaire 'Grand Piano', stroopte hij, zo incognito mogelijk, de weide omtrek af met in de zakken van zijn lange lakense jas (manteau du drap) een fles ether, een dot watten en ander materiaal uit de behandelkamer.

Er klonken in de jaren tachtig en negentig van de achttiende eeuw merkwaardig mooie klanken in de straat waar Touprêt woonde. Vreemd genoeg heeft de middelmatig pingelende dokter zijn familie tot op hoge leeftijd weten te vervelen op landerige zondagen (des dimanches). Het zoontje hield zijn mond uit angst of trots, wie zal het zeggen, en pas jaren later beschreven een paar wetenschappelijk getinte bladen het lugubere verhaal van de ongelofelijke uitvinding.

Ook heeft Tousprêt nog uitgebreide voorbereidingen getroffen om met gebruik van alle vingers de eerste schrijfmachine (l' écritaire) te ontwikkelen. Na zijn dood werd op zolder een bak gevonden waarin mensenhanden werden geconserveerd in paraffine. Ook trof men in de nalatenschap een werktekeningen aan op grote vellen papier waarop vele handen elk hun eigen letter schreven.



Palescue
een verhaaltje wat ik schreef in de vorige eeuw en nog steeds aardig vind

zondag 11 januari 2015

[Loos] / [Void]



Foto: CERN (2012)



gently I imploded and
poured out in countless grit am
I, the time has come, now legion
 
shattered like air
castle confetti in the wind
Rest no moment
in the hunt for the flight
to what something can be
and each time then is what
since then this where if, that
exists god thank as
no more, not again

And every then and now somewhere else
from behind up galloped
off spectrum swept under the radar
out of (beep-beep) the depth
of time I dissolved
with nowhere nothing to back or to
reverse, come, go or be
I say 
 
to no one in particular
and you in general
that I love you
With each piece of stardust
and in each god’s particle
you touch in the core
totally myself.
Palescue, June 2014


Foto: CERN (2012)
 zachtjes implodeerde ik en

uitgestort in talloos gruis ben

ik, het is zover, nu legio



uiteengespat als lucht-

kasteel confetti in de wind

Rust geen moment

in de jacht op de vlucht

naar wat iets wezen kan

en telkens even is wat

dan daar dit waar dan, dat

bestaat goddankzij zo

niet meer, niet weer



Telkens anders ergens

vanachter op voorgesneld

uit spectrum onder de radar

geveegd (bliep-bliep) de diepte

van de tijd uit ben ik opgelost

met nergens niets terug of om

te keren, komen, gaan of zijn

zeg ik



tegen niemand in het bijzonder

en jou in het algemeen

dat ik van je hou

Met elk stuk sterrenstof

en in elk godspartikeltje

raak je in de kern

geheel mijzelve.                                                                                                                     
Palescue, juni 2014

zondag 28 december 2014

Slang










Ik weet niet hoe lang het duurde voordat ik kon lezen maar ik zal nog niet lang geleefd hebben, en ik weet niet hoelang het leren duurde, het zal vrij kort geweest zijn. In mijn beleving leerden we de letters en konden meteen lezen.
Ik weet nog de letter S, daar had juf Osnabrugge een slang van getekend. Dat was grappig, vond ik, maar waarom schreef ze niet het hele woord? We leerden netjes schrijven in groene schriftjes met balken van lijnen, bijna een muziekschriftje. We kregen een blauwschrijvende doorzichtige Staedler Stick als wapen. We hadden een rode plastic letterdoos waar in vakjes de letters op dunne plastic blokjes waren verzameld. Uit de verzameling knutselden we in het deksel een kleinere verzameling en voilà, een woord. Slang.

Ik las alles wat ik zag en zag alles lezend. Ik beleefde alles als geschreven, dat wil zeggen, ik schreef wat er was, las het, en was wat ik las.

“Hij loopt het schoolplein op. Winnetou ziet in het midden een groepje meisjes staan. Links zitten anderen achter hun rijtje knikkers. Vier knikkers of twee bommen is
“Acht tegels, ja?”
Hij zegt: ”Ja.” “

Ik zag de kinderen met hun spelletjes, maar ze deden het expres. Het was net zo menens als de grote mensen die ik zag met hun eigen spelletjes, onderling, en die met kinderen. Ze begrepen kinderen niet, niet echt, en snapten zeker niet dat ik hen wel begreep. Meestal. En de grote jongens op hun brommers en hun onzekere stoere spel met het gevaar. Ik las ze, en paste op.

Zo las ik de wereld en de boeken – die op papier en in mijn hoofd – vormden mijzelf, sleten mijin origineel uit tot dundruk pagina’s. En de wereld misvormde dapper mee in opvoeding en socialisatie. De volkomen ziel die ik had bij geboorte werd als een steen bewerkt. De stukken vlogen eraf. Er werd gebeiteld en gevijld. Water en zandstormen slepen vreemde vormen uit. Was ik lezend al bijna onzichtbaar voor de buitenwereld, in de binnenwereld vervaagde mijn oorspronkelijke zelf meer en meer. Steen verbrokkelt en spoelt weg.

En het werd later, ouder, en ik zag iedereen slagen die probeerde iemand, of op zijn minst iets te zijn. Ik las ze en schreef ze over, werd ook iemand, of iets, maar nooit lang. Dat is saai – net als sokken en ondergoed moet je dagelijks wisselen van personage. Dan blijven ze fris.

Figuur 1 Op mijn zolderkamer hing een foto die  Anton Corbijn had gemaakt, uit Muziekkrant Oor gehaald: David Bowie, de perfecte gentleman-ster met het telkens wisselende personae in bijpassende kostuums met alleen een lendendoek om, zoals hij speelde hij in het toneelstuk The Elephant Man, over een ernstig misvormde man.

Foto: Anton Corbijn (1980)
Als een spons zoog ik de wereld op en lekte die in kleine plasjes terug op papier. Die werkelijkheid ‘in mijn eigen woorden’ bleek net zo echt als de rest. Fascinerend, maar eigenlijk heel logisch, want wat ik op papier zet is niet meer dan hergebruik. Mijn ‘Slang’ uit de letterdoos onderscheidt zich niet van een ander. Toch, de ingelezen woorden zijn verwerkt, vergist, en als ze worden teruggespuwd klinkt persoonlijkheid door in de zinsbouw en verteltrant: stijl: mijn stem is anders dan de jouwe.

In wat ik schreef zag ik mezelf, tussen de regels door. Soms zag ik mijn profiel bijna letterlijk in het woordbeeld van een pagina. Met mijn stempel en handtekening. Zou wat ik schreef zo niet een paspoort kunnen zijn naar mezelf, een weg terug?

Maar mij zelf zal je hier niet tegenkomen. Lezend kan je mij niet zien. De ware ik zit in het kind dat zich nog niet las. Ik kan geen cirkel maken door de slang zijn staart te laten zijn.

I. P. Fisher 2014